Autobiografisch Essay Contest

Meesterlijke roman over verbeelding en originaliteit

Een paar weken nadat Leaving the Atocha Station van Ben Lerner (1979) uitkwam, stonden Amerikaanse uitgeverijen te popelen om de schrijver en dichter uit Topeka, Kansas, binnen te halen. Veel critici noemden zijn debuut een van de beste romans van 2011. Lerner schetst hierin een ijzersterk portret van de jonge dichter Adam Gordon, die een jaar lang in Madrid op een werkbeurs teert en onzeker is over zijn literaire ambities. In Lerners tweede roman 10:04 (vertaald als 22.04) zoekt hij opnieuw het grijze gebied tussen kunst en leven op. Hoe authentiek kan een schrijver eigenlijk zijn?

Het verhaal van 10:04 klinkt misschien bekend. Een jonge schrijver, die jubelende reacties op zijn debuutroman kreeg, mag – op basis van een kort verhaal dat hij naar The New Yorker stuurde – een tweede roman schrijven. Er wordt hem een astronomisch bedrag aangeboden. Hij weet echter nog niet waar zijn nieuwste roman over zal gaan. Wandelend door New York reflecteert hij over verhaallijnen, plots en personages. Tijdens zijn verblijf als gastschrijver in Marfa, Texas, besteedt hij zijn tijd liever aan het uitwerken van een gedicht over Walt Whitman dan aan zijn roman. Het is onduidelijk of het ooit zal verschijnen. De protagonist, die we voor het gemak maar even ‘Ben’ noemen, heeft andere dingen aan zijn hoofd: zijn beste vriendin Alex vraagt of hij haar zaaddonor wil zijn, op hetzelfde moment ontdekt Ben dat hij, door een speciale hartafwijking, plotseling dood kan neervallen, en – niet te vergeten – New York maakt zich klaar voor een naderende orkaan.

Nu alle feiten uit 10:04 op een rij staan, klinkt het bijna alsof Lerner ons voor de gek houdt.

Het wordt meteen duidelijk dat de schrijver een spel met feit en fictie speelt. Het verhaal lijkt autobiografisch, maar is het niet helemaal. Het is eerder een ‘metafictie’, een roman over de vraag hoe fictie werkt. Om dit te benadrukken zet Lerner verschillende middelen in: het boek bevat memoires, gedichten, foto’s, tekeningen en essays. Ben is het ene moment analytisch en afstandelijk, het volgende moment vertelt hij hilarische anekdotes. Over een diner met zijn agent bijvoorbeeld, waarbij hij zich bezighoudt met de manier waarop de baby-octopussen op zijn bord gemasseerd zijn. Of over hygiëne en klaarkomen in een potje, terwijl de hoofdpersoon zo min mogelijk dingen in een ziekenhuiskamer probeert aan te raken. Lerner schakelt gemakkelijk tussen diepzinnige reflecties en luchtig commentaar, tussen Walter Benjamin en Back to the Future. Hij springt heen en weer in de tijd, herhaalt zich, verandert namen van personages en keert perspectieven om. Soms lezen we een dialoog die we al eerder zagen, door iemand anders uitgesproken, verderop plaatst Lerner een eerdergenoemde zin in een andere context. Als lezer ben je je continu bewust van het feit dat je een lezer bent, en interpreteert. Geleidelijk kom je tot de ontdekking dat de roman waarover Ben nadenkt, het boek blijkt te zijn dat je in handen hebt.

Bij een middelmatige schrijver zou deze laatste vondst een flauwe gimmick zijn, een postmodern trucje. Maar bij Lerner is er meer aan de hand. Om te beginnen is hij een meesterlijke schrijver en stilist. Op elke pagina dwingt hij je om langzaam te lezen, om zijn woorden te proeven, om zijn proza met chirurgische precisie te volgen en interpreteren.

The shadows of the trees bending in the increasing wind outside her window moved over the projected image on the white wall, became part of the movie, as if keeping time to the zither music; how easily worlds are crossed, I said to myself, and then to Alex, who hushed me – I had a bad habit of talking over what we watched.

De roman staat vol met zulke prachtige associaties. Bens verbeelding gaat regelmatig met hem op de loop, zoals in de scène waarin hij zijn ongeboren kind probeert uit te leggen dat zij via kunstmatige inseminatie is verwekt. In deze geweldig geschreven dialoog (die de hoofdpersoon eigenlijk met zichzelf voert), danst hij van de ene naar de andere associatie. Lerner schrijft zoals onze verbeelding werkt: telkens in dialoog met zijn eigen associaties, prikkels en zijsprongen. ‘The world rearranged itself around me,’ zegt Ben steeds. Oude herinneringen dringen zich in nieuwe vormen op en veranderen onze gezichtspunten, opnieuw en opnieuw. Literatuur wordt voor Lerner pas interessant als het overeenkomt met de echte wereld, en er tegelijkertijd van afwijkt. Dit thema – ervaringen uit het eigen leven die het onderwerp van fictie worden – loopt als een rode draad door de roman.

Everything will be as it is now, just a little different – nothing in me or the store had changed, except maybe my aorta, but, as the eye drew near, what normally felt like the only possible world became one among many, its meaning everywhere up for grabs, however briefly – in the passing commons of a train, in a container of tasteless coffee.

Zoals de realiteit afhankelijk is van de verhalen die wij erover vertellen, zo is Lerners verhaal een fascinerende illustratie van de manier waarop ons geheugen werkt. Wat kunnen we met zekerheid zeggen over de oorsprong van onze ideeën? Bestaan ze uit ervaringen die we zelf hebben meegemaakt? Of hebben we, onbewust, andermans ervaringen toegeëigend? Lerner is duidelijk geboeid door de valsheid van ons geheugen. Je kan de verschillende delen in de roman als een opeenvolging van gebeurtenissen lezen, maar ze kunnen net zo goed door elkaar worden gehaald. Ben beweert dat zijn liefde voor poëzie begon met een tv-toespraak van Ronald Reagan, vlak nadat het ruimteschip Challenger in 1986 na lancering uiteenspatte. Het is echter de vraag of deze herinnering historisch juist is. Bovendien speelt Lerner actief met het tijds- en plaatsbesef van de lezer: het tweede deel van de roman (‘The Golden Vanity’) blijkt een kort verhaal te zijn dat al eerder in The New Yorker is verschenen, in juni 2012. Was het een vooraankondiging van zijn tweede roman? Briljant! Alsof Lerner een paar jaar geleden al sporen in de ‘echte wereld’ achterliet, die ons naar zijn tweede roman moesten leiden.

It’s always a projection back into the past, the idea that there was a single moment when you decided to become a writer, or the idea that a writer is in a position to know how or why she became a writer, if it makes sense to think of it as a decision at all, but that’s why the question can be interesting, because it’s a way of asking a writer to write the fiction of her origins, of asking the poet to sing the song of the origins of song, which is one of the poet’s oldest tasks.

Terwijl Adam Gordon uit Leaving the Atocha Station niet gelooft in de oprechtheid van zijn eigen ideeën, blijft Ben zoeken naar manieren om voor anderen te zorgen, om eerlijk naar zichzelf te zijn, zonder ten prooi te vallen aan zijn eigen ambities of aan de grilligheid van zijn literaire succes. Kan een mens authentiek zijn? Gelooft Lerner in eerlijkheid of ironie? Wat het antwoord ook is, Lerner daagt de lezer uit om na te denken over de werking van fictie. En over de gevolgen van commercialisering, roem en verkoopcijfers voor een schrijver. 10:04 is niet alleen een prachtige roman die langs de grenzen van haar eigen genre schuurt; het is ook een ode aan de verbeelding, aan het experiment, aan kunst die geen verantwoording hoeft af te leggen of rekening moet houden met haar marktwaarde. Lerner is een baas. Ga hem lezen!

…“Keep in mind that your book proposal…” my agent said, and then paused thoughtfully, indicating that she was preparing to put something delicately, “your book proposal might generate more excitement among the houses than the book itself.”

‘What do you mean?’

“Well, your first book was unconventional but really well received. What they’re buying when they buy the proposal is in part the idea that your next book is going to be a little more… mainstream. I’m not saying they’ll reject what you submit, although that’s always possible; I’m saying it may have been easier to auction the idea of your next book than whatever you actually draft.’

I loved this idea: my virtual novel was worth more than my actual novel. But if they rejected it, I’d have to give the money back. And yet I planned to spend my advance in advance.

Justin Waerts

Ben Lerner – 22:04. Vertaald door Arthur Wevens, Atlas Contact, Amsterdam, 304 blz. € 19.99.

0

Reacties

Boza sellers, Mr. Pamuk notes, have mostly disappeared from Istanbul. By the 1960s and ’70s, Mevlut is among the last of a breed. His call is ripe with huzun. One customer says, “You have a lovely voice, like a muezzin.” He replies, “It’s the emotion in the seller’s voice that really sells the boza.”

“A Strangeness in My Mind” is not merely Mevlut’s story. This novel relates, through multiple voices, each jostling for airtime, the lives of a frazzled and often very funny cast of characters. Most are members of Mevlut’s extended family.

They arrive in Istanbul from poor villages in the Central Anatolia region of Turkey. They move into crumbling houses on the city’s outskirts before being raked by modernity into tall and disorienting apartment buildings. From this handful of people, Mr. Pamuk evokes the flow of generations of hopeful immigrants into the teeming city.

The primary theme in Mr. Pamuk’s work, powerfully evoked in his eerily fine novel “Snow” (2004), is mental dislocation — life lived between the competing attractions of Western and Eastern values, between secular doubt and religious conviction.

That’s true here, too. Mevlut is pulled, at trying moments, toward a deeper engagement with Islam. But “A Strangeness in My Mind” wears this topic lightly. The book is a hymn to life’s physical and mental chaos, not to the harmonies faith would impose.

A lot happens in “A Strangeness in My Mind.” There are timely births and untimely deaths, feuds and frauds, heartaches by the number. At its center is an unconventional love story.

Mevlut is hoodwinked into eloping with the wrong girl, the less attractive older sister of a woman he admired. Theirs becomes a blissful marriage anyway, though they never quite make it out of poverty.

There are many things to praise in “A Strangeness in My Mind,” which I’ll get to in a moment. What first needs to be said about this amiable novel is that, like boza, its alcohol content is not very high. At nearly 600 pages, it has the stretch of an epic but not the impact of one. Like boza, it leaves a bit of film on your lip.

Melancholy is a hard emotion to sustain; over the long run, it cloys. Reading this novel, I was reminded of a passage in Elif Batuman’s lovely nonfiction book, “The Possessed” (2010). Ms. Batuman, an American writer born to Turkish parents, described how few people in Turkey read novels, and how the melancholy Mr. Pamuk seemed somewhat miserable writing his.

About his novel “The Black Book” (1994), she writes: “It was about a man who had lost a woman called ‘Dream.’ This guy was walking around the streets of Istanbul calling: ‘Dream! Dream!’ I remember reading this on a bus in Turkey and feeling deeply, viscerally bored.”

I was not deeply, viscerally bored by “A Strangeness in My Mind.” But I mostly turned its pages with polite interest rather than real desire. This novel hits its low points in its too frequent nods toward its title, to the strangeness in Mevlut’s mind. This “strangeness” is not so very strange; it comes to seem like little more than a variation on the author’s own brand of huzun.

Mr. Pamuk remains an estimable writer. One of his great gifts is for blending what is clearly a large amount of research, on many topics, into alert, humane, nonwonky prose. One example can stand in for many: his writing about street vendors.

He evokes “the golden years of Ottoman-style street food.” He expounds on many dishes, from stuffed mussels and lamb’s head to pan-fried liver. We learn the history of these food sellers. We witness them coping with onerous regulations, fickle customers, mean dogs.

Mr. Pamuk is a subtle writer on social class. Once dishes like chicken with chickpeas and rice, eaten outside with plastic cutlery by office workers, begin to be seen as poor people’s food, sales shrivel.

Mevlut is among these sellers. At night, he peddles boza. During the day, he sells whatever he can. His wife, who helps prepare the food he hawks, describes herself as “the head chef of a three-wheeled restaurant.”

The humor in this novel, which has been lucidly translated by Ekin Oklap, flows freely. The narrators interrupt and contradict one another as if they were talking heads in an early Spike Lee movie.

One woman notes the upside of dirt floors: “It took a month before I realized that the more I swept the floor, the higher the ceiling got.” Mevlut, who loves movies, comments on the downside of American and European ones: “You never quite knew who were the good guys and who were the bad guys.”

Yet “A Strangeness in My Mind” lacks the visceral and cerebral impact of Mr. Pamuk’s best novels, notably “Snow” and “My Name Is Red” (2001). For all its melancholy, it verges on being cute. You can say about it what one character says of Mevlut: “He’s a bit of a weirdo, but he’s got a heart of gold.”

Continue reading the main story

0 Thoughts to “Autobiografisch Essay Contest

Leave a comment

L'indirizzo email non verrà pubblicato. I campi obbligatori sono contrassegnati *